Radicalisering is een proces met een religieuze (wie ben ik, hoe geef ik mijn leven vorm), een politieke (er wordt “ons” onrecht aangedaan, moslims worden gediscrimineerd) en een sociale dimensie (ik mis acceptatie, waardering en geborgenheid). Een dergelijk proces heeft de potentie om ons allemaal te treffen en radicalisering is dan ook niet iets van slechts enkele “gekken” (Slootman & Tillie, 2006). Een dergelijk proces ontstaat door uiteenlopende factoren, waarbij de belangrijkste een grote perceptie van discriminatie, een groot politiek wantrouwen en sociaal isolement zijn. Dergelijke factoren zijn in meer of mindere mate te herkennen in het leven van leden en/of contacten van de Hofstadgroep, zoals Mohammed Bouyeri en Samir Azzouz. Daarnaast speelt ook de minderheidspositie, onvrede met de geloofsinvulling van de ouders en een gebrek aan stimuleren en ondersteuning van de ouders een belangrijke rol in het radicaliseren van jongeren. In een zoektocht naar een eigen identiteit is die stimulering en ondersteuning van ouders onmisbaar. Een gebrek hieraan kan leiden tot zogenaamde identiteitsverwarring (het onzeker zijn over de eigen identiteit, stuurloos zijn, te veel alternatieven hebben en geen gerichte keuzes kunnen maken): een stadium waarin de jongere wellicht verhoogd gevoelig is voor een fundamentalistische geloofsideologie (een radicale islam, maar ook antisemitisme, neonazisme, et cetera) en binnen een dergelijke fundamentalistische geloofsideologie de noodzakelijke acceptatie, waardering en geborgenheid vindt die hij of zij nodig heeft en thuis niet krijgt. Interventies moeten zich naar mijn mening meer richten op de ouders van deze toekomstige (mogelijk ontsporende en/of radicaliserende) jongeren, in de periode ver vóór de adolescentie, voordat een mogelijk radicaliseringsproces aangevangen heeft.
Voor iedereen die interesse heeft om mijn artikel volledig te lezen, het artikel is hieronder te downloaden.