Voor het werkveld onderwijs heb ik een klein onderzoek gedaan naar het vroegsignaleren van risicovolle opvoedingssituaties. Risicovolle opvoedingssituaties zijn situaties waarin het kind in zijn ontwikkeling bedreigt wordt en niet de ‘good enough’ opvoeding krijgt die het verdient (Hermanns, Öry & Schrijvers, 2005). Risicovolle opvoedingssituaties en kindermishandeling zijn nagenoeg hetzelfde. Alle uitingsvormen van risicovolle en zorgwekkende opvoedingssituaties zijn binnen de definitie en criteria van kindermishandeling te plaatsen. Een risicovolle opvoedingssituaties ontstaat niet zomaar. Het is een lange weg van risicofactoren naar probleem, ook wel het risicoproces genoemd (Hermanns, Öry & Schrijvers, 2005). Het herkennen van een risicoproces, of anders gezegd, het herkennen van het ontstaan van een probleem, is waar het op de eerste plaats naar mijn mening om draait. Het vroegtijdig signaleren van kindermishandeling is in feite al een station te ver. Het risicoproces, dat als voedingsbodem voor de kindermishandeling diende, is te laat opgemerkt en al in een vergevorderd stadium.
Alvorens het daadwerkelijk tot kindermishandeling komt, heeft het gezin vaak al een lange levensweg van problemen en tegenslagen te verduren gehad. Financiële problemen, relatieproblemen, verslavingsproblematiek, psychische problemen, ouders die zelf nooit een ‘good enough’ opvoeding gehad hebben en daardoor een gebrek aan pedagogisch besef hebben, et cetera. Door een opeenstapeling van stressvolle omstandigheden zijn de draagkracht en draaglast niet meer in balans. De opvoeding valt sommige ouders zwaar. Te zwaar. Ze kunnen het niet meer aan, vinden niet de noodzakelijke steun in hun sociale omgeving en vinden niet de weg naar de beschikbare opvoedingsondersteuning om het tij te doen keren. Het resultaat zijn opvoedingsproblemen die kunnen uitmonden in kindermishandeling. ‘Onmacht’, ‘onkunde’ en ‘onwetendheid’ liggen hieraan vaak ten grondslag.
Voor de module “verwaarlozing, mishandeling en misbruik” heb ik ook een aantal televisie-uitzendingen uit 2004, uitgezonden in het kader van de themaweek ‘Geheim Geweld’, gedownload en bekeken. In één van die uitzendingen, in ‘Andere Tijden’, maakte de presentator naar mijn mening een terechte opmerking over de jeugdbescherming. Het kwam erop neer dat jeugdbescherming in veel gevallen een bescherming ten behoeve van de maatschappij is, tegen de nadelige gevolgen van kindermishandeling op de lange termijn. Niet de jeugd, maar de maatschappij moet beschermd worden tegen het, door kindermishandeling, ongunstig ontwikkelde kind. Het kind dat niet de ‘good enough’ opvoeding genoten heeft, niet de juiste waarden en normen geleerd heeft gekregen, et cetera. Het kind dat vast en zeker op zal groeien tot een onaangepast, sociaal incompetent, antisociaal, crimineel persoon. Of iets vergelijkbaars waar de maatschappij niet bij gebaat is. Ik geloof dat hier wel een kern van waarheid in zit. De jeugdbescherming slaagt er vaak niet in om de jeugd te beschermen tégen kindermishandeling. In de meest ideale situatie slaagt het erin verdere mishandeling te voorkomen en schade te beperken. Het kwaad is echter al geschied en kan niet meer ongedaan gemaakt worden.
Laten we nu eens echt beginnen met de jeugd te beschermen, naast het verder verbeteren van signalering, gerichte interventie en samenwerking. Onder andere door veel meer pro-actief te werk te gaan, zodat kindermishandeling voorkomen wordt. Waarom niet een (verplichte) oudercursus zoals in Zweden het geval is (RAAK, 2006)? Het “gewone” moet van het opvoeden af; niet iedereen kan het zomaar, alleen en zonder begeleiding! Wolzak (2001) schrijft in zijn boek dat menig aanstaande ouder zich verkijkt op de zwaarte van het opvoeden van een kind. Waarom laten we dan iedereen, zonder enige beoordeling, advies of verplichte ondersteuning, zomaar kinderen krijgen (terwijl er bijvoorbeeld al vier rondlopen en twee al een OTS hebben)? Waarom gaan leerkrachten in het onderwijs op sommige plaatsen niet meer op huisbezoek (Kleijwegt, 2005)? Waarom worden kinderen, die niet door consultatiebureau, crèche of school gezien worden, niet gesignaleerd, geregistreerd en preventief en structureel in thuissituaties bezocht (AD, 2007)? Bijvoorbeeld door een soort van zorg- en leerplichtbeambte met opsporingsbevoegdheid. Waarom mogen gezinsvoogden zich alleen maar met het betreffende OTS-kind bemoeien? Het zijn toch gezinsvoogden?! (Braaksma, 2005). Wat is er mis met outreachend hulpverlenen en een beetje bemoeizorg? Ouders zijn dan weliswaar eindverantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen; als maatschappij hebben we ook een plicht om voor onze kinderen te zorgen. Daar zijn we conform het IVRK toe verplicht.
Gelukkig zijn er in sommige regio’s, onder begeleiding van de Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling (RAAK), al enkele goede initiatieven genomen, zoals huiskamerbijeenkomsten om te praten over opvoedingsproblemen, extra huisbezoeken aan risicogezinnen en videohometraining bij signalen van dreigende problemen. Het is alleen nog de vraag of dergelijke initiatieven kunnen blijven bestaan, aangezien de structurele financiering hiervoor ontbreekt (Keesom, 2006).