Sve
n had het moeilijk. Zijn ouders hielden niet meer van elkaar en hadden besloten te gaan scheiden. Dat was nu drie maanden geleden. Sven begreep het niet en de hele scheiding riep veel vragen bij hem op. Hoe kun je nou in ene keer niet meer van elkaar houden? Natuurlijk snapte hij wel dat papa en mama vaak ruzie hadden en dat het vaak niet erg gezellig was bij hun thuis, maar om dan te gaan scheiden? Hij had ook wel eens ruzie met zijn zusje, maar zou haar ondanks alles nooit willen missen! Als je ruzie hebt, praat je het toch uit en leg je het weer bij? Had het misschien iets met hem te maken en het feit dat hij nu officieel “autist” was? En waarom had papa nu al een nieuwe vriendin? En had hij nu twee mama’s en één papa of eigenlijk nog maar één mama, omdat hij papa ook niet meer zo vaak zag? Moest hij nu gaan kiezen tussen papa en mama?
Hij kreeg deze vragen niet uit zijn hoofd. Wat hij ook probeerde, ze bleven als een niet te stoppen zweefmolen ronddraaien in zijn gedachten. Met op ieder stoeltje een onbeantwoorde vraag. Een zweefmolen die altijd maar doorging en die geen mogelijkheid bood om uit te stappen. Een zinloos ding in feite, waar je geen steek mee verder kwam, omdat je toch altijd weer bij het begin uitkwam, hoeveel “ritjes” je ook maakte. Papa en mama zouden de antwoorden wel weten, maar het lag niet aan hen. Zij waren juist bezorgd en wilden weten hoe hij zich nu na de scheiding voelde. Hij had een boekje op de slaapkamer van zijn ouders gezien met de titel “En de kinderen scheiden mee…”. Hij had zijn moeder met een mevrouw aan de telefoon over hem horen praten. Ja, het klopte. Hij was sinds de scheiding inderdaad nog stiller geworden. Hij praatte nu nog maar zelden over zijn gedachten en gevoelens, ook al vroegen papa en mama er regelmatig naar. Nee, het lag aan hem. Hij durfde zijn vragen niet te stellen. Hoeveel moed hij ook verzamelde, de vragen kwamen er nooit uit. Kon hij maar de draaimolen stilzetten en uitstappen…
Jan, de buurman van het gezin, had de verandering in Sven opgemerkt. Hij kwam regelmatig bij het gezin voor een bak koffie en een praatje. Samen met de moeder van Sven was er al een paar keer over Sven gesproken. Sven en Jan hadden niet zo veel met elkaar. Sven was een 11-jarige “puber in opleiding”. Jan had vijf jaar geleden Abraham gezien en was blij dat zijn drie kinderen eindelijk allemaal het ouderlijk nest verlaten hadden. De laatste op zijn zesentwintigste en dat was nog geen half jaar geleden. Toch trok hij zich het lot van Sven aan. Jan had in zijn eigen jeugd, als 15-jarige “gevorderde puber”, ook zijn ouders zien scheiden. Hij kon zich nog goed herinneren wat dit op dat moment met hem deed en stelde zich voor dat Sven ook behoefte had aan antwoorden op allerlei vragen die in zijn hoofd ronddwaalden.
Op een middag na de gebruikelijke koffie, bood hij Sven aan om samen de hond uit te laten. De hond uitlaten was zo’n gezinstaak die prima paste in Sven’s taakomschrijving als “oudste zoon”, maar die hij liever vervangen zag worden door een “maakt niet uit wat, als ik maar niet met slecht weer naar buiten hoef”-taak. Jan wist dus dat de wandeling hooguit 10 minuten zou duren en vuurde meteen de nodige vragen op Sven af. Sven was nooit zo spraakzaam en veel meer dan “goed”, “ja”, “nee” en “weet niet” kwam er niet uit. Jan vertelde daarom maar, na de nodige inleidingen, over hoe hij de scheiding van zijn ouders vroeger als 15-jarige jongen ervaren had. Welke zorgen hij destijds had en welke vragen hij zich nog allemaal kon herinneren die bij hem toen door zijn hoofd spookten. Ondertussen liepen ze verder en verder van huis, ver voorbij het punt waar normaliter de terugreis ingezet werd. De hond was euforisch en begon vol enthousiasme aan een hele nieuwe ontdekkingsreis.
Sven luisterde aandachtig, maar liet dat zo min mogelijk merken. Af en toe durfde hij Jan een vraag te stellen, maar veel verder dan “hoe zo?”, “en toen?” en “waarom?” kwamen de vragen niet. Eenmaal terug was Jan niet echt content met zijn poging om Sven te helpen. Sven had dan weliswaar naar hem geluisterd en interesse in zijn verhaal getoond, maar inzicht in hoe de scheiding voor Sven voelde had hij niet gekregen. Ze gingen ieder hun eigen weg en het bleef bij deze eenmalige, ogenschijnlijk mislukte poging van Jan om Sven een luisterend oor te bieden.
In de weken na deze gezamenlijke wandeling gebeurde er echter iets vreemds. Er veranderde iets in het gedrag van Sven. Hij begon meer te praten en liet ook meer van zijn eigen gevoel doorschemeren in de korte, informele gesprekjes die hij met zijn moeder had. Het lukte hem steeds vaker en langer om de zweefmolen in zijn hoofd stil te zetten en even “uit te stappen”. Hij durfde vragen te stellen aan zijn vader en moeder en langzamerhand raakte meer en meer stoeltjes in de zweefmolen leeg. Langzaam gaf Sven woorden aan zijn gedachten en gevoelens en uiteindelijk kon hij de zweefmolen helemaal stil zetten.
Door de vele gesprekjes die hij, in de weken en maanden na die ene wandeling, met zijn ouders gevoerd had kon Sven de scheiding een plaatsje geven. De zweefmolen stond er in zijn gedachten stil en verlaten bij. Sven voelde zich goed. Hij vond het nog steeds erg vervelend dat zijn ouders gescheiden waren, maar durfde nu beter onder woorden te brengen wat hij voelde en waar hij over nadacht. Eigenlijk wel vreemd dacht Sven hoe zo’n nietszeggende wandeling met buurman Jan hem voldoende moed gegeven had om zijn kaarten open en bloot op tafel te leggen. Buurman Jan had hem met zijn verhaal op de juiste weg geholpen. Misschien moest hij buurman Jan maar weer eens meenemen op een wandeling…
Alle kin
deren hebben van tijd tot tijd behoefte aan een luisterend oor, een wijze raad of een (figuurlijke of letterlijke) arm over hun schouder. Vaak wordt die behoefte ingevuld door ouders of leerkrachten. De ouders signaleren bijvoorbeeld een behoefte aan troost bij hun kind en proberen deze zo goed mogelijk in te vullen. Zo ook de ouders van Sven. Ze zijn, ondanks de scheiding, fysiek en emotioneel beschikbaar voor hun kind en onderkennen bij Sven een behoefte of vermoeden dat er een behoefte bestaat. Dit onderkennen van een behoefte is waar het bij échte aandacht voor een ander om draait (Embregts, 2009, Gezinssymposium Radboud Universiteit Nijmegen). Echte aandacht betekent volgens Embregts het verschil tussen “de hele dag met iemand bezig zijn” en “oprecht en zorgvuldig naar een ander omkijken”. Ik deel haar mening. Ik geloof ook dat je uren aandacht voor een kind kunt hebben en uren met hem of haar bezig kunt zijn, zonder daadwerkelijk écht naar hem of haar om te kijken en zonder ook maar enige behoefte bij hem of haar te onderkennen. Echte aandacht voor een kind heb je naar mijn mening pas als je écht naar een kind omkijkt. Als je een behoefte bij het kind onderkent en vervolgens ook alles doet wat binnen jouw mogelijkheden ligt om deze behoefte te bevredigen.
Ik pleit voor een samenleving, waarin we als volwassenen échte aandacht voor “onze kinderen” hebben. “Onze kinderen” staat hier tussen aanhalingstekens, omdat ik met “onze kinderen” álle kinderen bedoelen en niet slechts onze eigen kinderen of de kinderen die binnen een hulpverleningstraject op ons pad komen. Wij, als volwassenen, zijn in meer of mindere mate verantwoordelijk voor alle kinderen en hebben naar onze mening ook allemaal de morele plicht om – daar waar nodig – zorg te dragen voor de nodige liefde, zorg en begeleiding, zodat álle kinderen een optimale kans krijgen om op te groeien tot evenwichtige en gelukkige burgers in onze samenleving. Ook Sven verdient zo’n kans.
De ouders van Sven maken zich zorgen en proberen Sven op allerlei manieren te helpen. Alleen laat Sven zich niet zo gemakkelijk helpen. Om allerlei redenen lijkt er met Sven niets aan de hand te zijn. Daarnaast is Sven ook niet het gemakkelijkste kind. Hij doet het weliswaar op alle ontwikkelingsgebieden conform verwachting en is over het algemeen genomen ook een vrolijk kind, maar hij heeft daarnaast, door zijn autisme, ook de nodige problemen. Voor zijn omgeving is Sven een gesloten boek. Hij laat zelden iemand toe tot zijn gevoelens en gedachten en zijn ouders moeten vaak maar raden wat er in zijn hoofd omgaat. Voor Sven is zijn omgeving soms een oneindig boek in een onbekende taal. Hij heeft moeite met het begrijpen van de wereld om hem heen en mist de kennis, vaardigheden en het “finger-spitzen gefühl” om adequaat en flexibel in zijn omgeving te kunnen functioneren.
Aan de buitenkant valt er weinig op aan Sven. Op goede dagen is hij voor anderen “slechts” een introvert, verlegen kind. Op minder goede dagen een “rotjoch die dringend opgevoed moet worden”. Sven zit in een onzichtbare rolstoel. Zijn beperking is aan de buitenkant meestal niet zichtbaar en je zou kunnen zeggen dat Sven eigenlijk een dubbele beperking heeft. Enerzijds vanwege zijn stoornis en anderzijds door de onzichtbaarheid van die stoornis. Deze onzichtbaarheid maakt dat hij vaak door zijn omgeving overschat wordt, zelden kan rekenen op begrip voor het ongewenste gedrag dat hij vertoont en vaak niet de juiste begeleiding krijgt die aansluit bij zijn behoeften.
In Nederland zijn er veel kinderen zoals Sven. Kinderen, al dan niet met een stoornis, die om verschillende redenen soms niet geholpen willen of kunnen worden door hun ouders of leerkrachten. Kinderen met een behoefte die onvoldoende door het eerste opvoedingsmilieu (gezin) of het tweede opvoedingsmilieu (school) onderkent en bevredigd wordt of kan worden. Denk aan kinderen die het moeilijk vinden om aan hun ouders of leerkracht duidelijk te maken dat ze ergens mee zitten, die niet bij hun ouders of leerkracht durven aan te kloppen voor hulp, die hun ouders niet willen belasten met hun zorgen of waarbij hun stoornis of ziekte óf de stoornis of ziekte van een ander gezinslid voor dermate veel (opvoedings)stress in het gezin zorgt dat ouders niet altijd in staat zijn om passende hulp te bieden.
In een artikel in Trouw met de titel Het moderne kind ziet de wereld vanuit de bakfiets (Hommes, 2009) stelt Mirjam Hommes dat de moderne samenleving [voornamelijk] het kind vanuit de auto of bakfiets ziet, op weg naar “iets leuks”. Een zekere bemoeienis met de ontwikkeling en socialisatie van het kind, door anderen netwerken rondom het kind (buiten het gezin en de school), is er tegenwoordig nauwelijks. Opvoeding en socialisatie zijn nu, veel meer dan vroeger, de exclusieve verantwoordelijkheid van het gezin en de school. Hommes pleit in haar artikel voor meer informele opvoednetwerken. Ooms, tantes, buren, trainers en andere buitenstaanders, die het gezin en de school kunnen ondersteunen in hun verantwoordelijkheid om kinderen een optimale kans op ontwikkeling en socialisatie te bieden, vóórdat “de problemen” verplaatst moeten worden naar de professionele jeugdzorg van de overheid. Het realiseren van een dergelijk informeel opvoednetwerk heeft naar mijn mening alleen kans van slagen als er sprake is van wederzijds vertrouwen en de instemming dat allen een gezamenlijk doel nastreven, namelijk de optimale ontwikkeling van het kind. Hommes is van mening dat een té beperkt en té beschermend opvoednetwerk niet gunstig is voor de ontwikkeling van kinderen. Hommes: “In het één-op-één model is bescherming en (als tegenhanger) de idee van kwetsbaarheid extreem opgedreven, waar het kind beslist niet bij gebaat is”. Ik deel haar mening. Natuurlijk is bescherming in de huidige samenleving een belangrijk aandachtspunt in onze opvoeding aan kinderen, maar dat betekent niet dat we kinderen moeten laten opgroeien in “een glazen huisje”, in een poging om ze te beschermen tegen elk potentieel kwaad. Het betekent niet dat we kinderen de positieve invloeden van informele opvoednetwerken moeten onthouden. Daarnaast ben ik van mening dat, als velen échte aandacht voor het kind hebben, eventueel dreigend kwaad géén gevaar zal vormen en géén kans zal krijgen om toe te slaan.
Ook Lilian Rubin vertelt in haar boek Het onverwoestbare kind (Rubin, 2007) over de beschermende en genezende invloed die buitenstaanders op een verstoord verlopende ontwikkeling kunnen hebben. Rubin: “Ze stonden open voor ervaringen [...], weigerden zichzelf als slachtoffer te zien – en al die dingen trokken mensen aan die, in verschillende fasen van hun leven, de surrogaatouders en mentors werden die hun een hand toestaken toen ze dat nodig hadden en de lacunes van het verleden hielpen opvullen. Soms ging het om langdurige relaties. […] Soms betrof het mensen die kortstondig op het toneel verschenen”.
We hebben het meestal niet in de gaten hoe vaak ook wij in een positie van surrogaatouder of mentor verkeren. Hoe vaak ook wij in een positie verkeren om een significant other voor een kind te zijn. Een positie waarin we de mogelijkheid hebben om een kind met raad en daad bij te staan of een luisterend oor te bieden. De ogenschijnlijk mislukte poging van buurman Jan om Sven te helpen is niet zonder resultaat gebleven. Ongemerkt heeft het verhaal van Jan veel in Sven losgemaakt en zijn gedachten op het juiste spoor gebracht. De buurman heeft échte aandacht aan Sven geschonken, een behoefte onderkent en deze geprobeerd in te vullen. Hij heeft een kans aangegrepen die ons allen, soms of vaker, geboden wordt. Een kans die we naar mijn mening met beide handen en vol overgave moeten aangrijpen. Niemand kan immers met zekerheid voorspellen dat onze handreikingen géén enkel resultaat zullen hebben of slechts “een paar druppels op een gloeiende plaat” zullen zijn.