Feeds:
Berichten
Reacties

Onderzoek naar pestgedrag in het basisonderwijs is om diverse redenen maatschappelijk en pedagogisch relevant. Op de eerste plaats is pesten een hardnekkig probleem, dat nooit helemaal zal verdwijnen en dus altijd bestreden zal moeten worden. Op de tweede plaats kan de school gezien worden als een ideale broedplaats voor pestgedrag, aangezien het één van de laatste plekken buiten het gezin is waar kinderen structureel, veelvuldig contact met anderen hebben. Op de derde en laatste plaats vindt pesten vooral plaats in een periode in de ontwikkeling van kinderen, waarin kinderen verhoogd gevoelig zijn voor het oordeel van anderen en waarin juist pesten dus grote gevolgen kan hebben.

In 2008 heb ik onderzoek gedaan naar pestgedrag in het basisonderwijs. De onderzoeksvraagstelling was vooral gericht op het meetbaar maken van het probleem, teneinde pestgedrag te voorkomen cq. te bestrijden. Op een basisschool in Lent (Gemeente Nijmegen) zijn bij 148 leerlingen in de groepen 5 t/m 8 sociometrische vragenlijsten afgenomen om meer inzicht te krijgen in de sociale relaties tussen leerlingen en om meer inzicht te krijgen in de betrokkenheid bij pesten. Het doel van het onderzoek was om tot een betrouwbare meetinstrument te komen om dergelijk inzicht te verwerven. In 2009 heeft vervolgonderzoek plaatsgevonden op dezelfde school en in 2010 zal het onderzoek opnieuw herhaald worden.

Voor iedereen die interesse heeft om het volledige onderzoeksverslag te lezen, het verslag is hieronder te downloaden.

  1. Onderzoeksverslag “Pestgedrag in het basisonderwijs: het probleem meetbaar maken”

samenvattingen

Voor diegene die nog op zoek zijn naar samenvattingen: voor een aantal tweedejaars cursussen Pedagogische Wetenschappen & Onderwijskunde op de Radboud Universiteit Nijmegen heb ik samenvattingen gemaakt. Deze samenvattingen zijn gebaseerd op de volledige college-stof en dus niet uitsluitend op de literatuur. Daarbij is het mogelijk dat de samenvatting niet de volledige inhoud van de literatuur behandeld, aangezien de literatuur niet in alle gevallen volledig bestudeerd hoefden te worden.

Alle samenvattingen zijn gemaakt in de vorm van een mindmap met behulp van het programma Mindjet MindManager. Klik op één van onderstaande links om de samenvattingen van de literatuur behorende bij de betreffende cursus (in leerjaar 2008-2009) in .PDF formaat te downloaden.

  • Algemene Psychodiagnostiek
    (Kievit, Th., Tak, J.A., & Bosch, J.D. (Red.) (2008). Handboek Psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen. Utrecht: De Tijdstroom)
    (Luteijn, F., Arrindell, W.A., Deelman, B.G., Kamphuis, J.H., & Vertommen, H. (Red.) (2005). Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg. Utrecht: Lemma)
  • Neuropsychologie
    (Elias, L.J. & Saucier, D.M. (2006). Neuropsychology. Clinical and Experimental Foundations. Boston: Pearson)
  • Opvoeding en ontwikkeling
    (Schaffer, H.R. (1996). Social development. Oxford: Blackwell Pub)
  • Psychometrie
    (Allen, M.J. & Yen, W.M. (1979). Introduction to measurement theory. Monterey, CA: Brooks/Cole)

Het spreekt voor zich dat ik deze documenten “met de grootste zorg geschreven heb, maar dat ik de juistheid van de informatie in deze documenten niet kan garanderen”. Kortom, gebruik op eigen risico!

radicalisering

Radicalisering is een proces met een religieuze (wie ben ik, hoe geef ik mijn leven vorm), een politieke (er wordt “ons” onrecht aangedaan, moslims worden gediscrimineerd) en een sociale dimensie (ik mis acceptatie, waardering en geborgenheid). Een dergelijk proces heeft de potentie om ons allemaal te treffen en radicalisering is dan ook niet iets van slechts enkele “gekken” (Slootman & Tillie, 2006). Een dergelijk proces ontstaat door uiteenlopende factoren, waarbij de belangrijkste een grote perceptie van discriminatie, een groot politiek wantrouwen en sociaal isolement zijn. Dergelijke factoren zijn in meer of mindere mate te herkennen in het leven van leden en/of contacten van de Hofstadgroep, zoals Mohammed Bouyeri en Samir Azzouz. Daarnaast speelt ook de minderheidspositie, onvrede met de geloofsinvulling van de ouders en een gebrek aan stimuleren en ondersteuning van de ouders een belangrijke rol in het radicaliseren van jongeren. In een zoektocht naar een eigen identiteit is die stimulering en ondersteuning van ouders onmisbaar. Een gebrek hieraan kan leiden tot zogenaamde identiteitsverwarring (het onzeker zijn over de eigen identiteit, stuurloos zijn, te veel alternatieven hebben en geen gerichte keuzes kunnen maken): een stadium waarin de jongere wellicht verhoogd gevoelig is voor een fundamentalistische geloofsideologie (een radicale islam, maar ook antisemitisme, neonazisme, et cetera) en binnen een dergelijke fundamentalistische geloofsideologie de noodzakelijke acceptatie, waardering en geborgenheid vindt die hij of zij nodig heeft en thuis niet krijgt. Interventies moeten zich naar mijn mening meer richten op de ouders van deze toekomstige (mogelijk ontsporende en/of radicaliserende) jongeren, in de periode ver vóór de adolescentie, voordat een mogelijk radicaliseringsproces aangevangen heeft. 

Voor iedereen die interesse heeft om mijn artikel volledig te lezen, het artikel is hieronder te downloaden.

  1. Artikel “De ontwikkeling van een islamitische, fundamentalistische geloofsideologie onder jongeren”

samenvattingen

Voor diegene die nog op zoek zijn naar samenvattingen: voor een aantal eerstejaars cursussen Pedagogische Wetenschappen & Onderwijskunde op de Radboud Universiteit Nijmegen heb ik samenvattingen gemaakt.

Alle samenvattingen zijn gemaakt in de vorm van een mindmap met behulp van het programma Mindjet MindManager. Klik op één van onderstaande links om de samenvattingen van de literatuur behorende bij de betreffende cursus (in leerjaar 2007-2008) in .PDF formaat en in origineel .MMAP formaat te downloaden.

Het spreekt voor zich dat ik deze documenten “met de grootste zorg geschreven heb, maar dat ik de juistheid van de informatie in deze documenten niet kan garanderen”. Kortom, gebruik op eigen risico! )

Pesten is niet min of meer gelijk aan kindermishandeling, pesten ís kindermishandeling. In mijn betoog stel ik dat pesten grote overeenkomsten vertoont met kindermishandeling. Zo komen de hoofdkenmerken van pesten, namelijk de agressie gericht op een ander, het systematische en langdurige karakter en de machtsongelijkheid tussen pester en gepeste, grotendeels overeen met de definitie van kindermishandeling.

Verder blijkt dat de oorzaken en gevolgen van pesten en kindermishandeling voor een groot gedeelte overeenkomen. Pesten is net als kindermishandeling een vorm van agressie. Een vorm van agressie dat vaak geuit wordt vanuit een frustratie bij de dader en dat vaak gericht is op een emotioneel of fysiek zwakkere persoon waarover de dader een zekere macht heeft. Daarnaast ontstaat pesten, net als kindermishandeling, vaak onder invloed van bepaalde persoonlijkheidskenmerken en ongunstige omgevingsomstandigheden. Factoren zoals het opgroeien met een hoge mate van agressie of het hebben van een gedragsstoornis vergroten zowel het risico om te pesten (of mishandelen) als het risico om gepest (of mishandeld) te worden. Tot slot zijn ook de gevolgen van pesten vergelijkbaar met de gevolgen van kindermishandeling (Van der Meer, 2002; Fekkes, 2005). Zowel bij pesten als bij kindermishandeling worden kinderen ernstig in hun cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling bedreigd.

Naast allerlei overeenkomsten tussen pesten en kindermishandeling, is pesten ook vanuit een heel ander perspectief gezien kindermishandeling, namelijk vanuit het zorgperspectief (Takes, 2006). Niet zo zeer vanuit het perspectief van de dader (de pester die de gepeste mishandeld, gelet op de overeenkomsten tussen pesten en kindermishandeling), maar meer vanuit het perspectief van de maatschappij (de volwassenen die falen in de bescherming van het kind), het zogenaamde zorgperspectief, moeten we pesten als kindermishandeling beschouwen. Vanuit dit perspectief is het kind namelijk afhankelijk en kwetsbaar en zijn ouders verplicht om voor het kind te zorgen en hem of haar bescherming te bieden.

Als een kind gepest wordt, hebben we in meer of mindere mate in onze plicht om het kind te beschermen gefaald. We hebben gefaald in het kind de nodige fysieke en psychische veiligheid te bieden. We hebben niet voldoende gewaakt over de mate waarin het kind geaccepteerd en gerespecteerd wordt in de groep en op school. We hebben er niet of onvoldoende op toegezien dat het kind in de meest optimale omstandigheden kan leren. We hebben zelfs misschien verzuimd het kind te beschermen tegen het (moeten) plegen van strafbare feiten. We hebben gefaald in het scheppen van de juiste condities waarin het kind zich optimaal kan ontwikkelen. En dát is voor mij dé reden om pesten als kindermishandeling te beschouwen.

Voor iedereen die interesse heeft om mijn betoog volledig te lezen, het betoog is hieronder te downloaden.

  1. Betoog “Pesten ís kindermishandeling”

Op woensdag 30 januari 2008 zal Prof. Dr. C. Schuengel, hoogleraar Orthopedagogiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam, spreken over de feiten en meningen over verstoorde gehechtheid. De bijeenkomst is bedoeld voor iedereen die in zijn of haar werk/studie te maken heeft of gaat krijgen met hechtingsproblematiek. De bijeenkomst wordt gehouden in de Martuskerk te Amersfoort, van 19:30 tot 22:00. Studenten betalen € 7,50 entree. Klik hier voor het volledige persbericht en kijk voor het aanmeldingformulier, de routebeschrijving en meer informatie over deze bijeenkomst en hechtingsstoornissen op: www.deknoop.org en www.hechtingsstoornis.nl.  

Op 27 november organiseren NJI (het voormalige NIZW Jeugd) en de MOgroep voor de derde keer ‘Jeugdzorg Zo!’, een grootschalige manifestatie voor en door de jeugdzorg. Het congres is bestemd voor hulpverleners en voor andere medewerkers in de praktijk van de jeugdzorg. Het thema van dit jaar is: beroepstrots.

Om toegang tot de lezingen en de workshops te krijgen zul je een kaartje moeten kopen en de prijs valt helaas niet mee (€ 195,–). Menigeen zal het van zijn schamele studentenbudget niet kunt betalen. Maar wees gerust, toegang tot de informatiemarkt kost slechts 10 euro!  Op de informatiemarkt staan allerlei organisaties die betrokken zijn bij de jeugdzorg. Handig om eens een indruk te krijgen van ons toekomstige werkveld! Kijk voor meer informatie over deze manifestatie op hun website.

In het nieuws kwam afgelopen week het dierwaardig reageerakkoord tussen CDA/PvdA/ChristenUnie aan bod. Het volgende kabinet heeft als streven het langbevochten houdverbod actief in te voeren, waardoor notoire veelplegers van dierenmishandeling een verbod op het houden van dieren opgelegd kunnen krijgen.

Kunnen we er misschien ook meteen voor zorgen dat een dergelijk houdverbod ook bij wet geregeld gaat worden voor de notoire veelpleger van kindermishandeling? Of moeten we daarvoor misschien eerst een Partij voor de Jeugd oprichten?

jeugdbescherming?!

Voor het werkveld onderwijs heb ik een klein onderzoek gedaan naar het vroegsignaleren van risicovolle opvoedingssituaties. Risicovolle opvoedingssituaties zijn situaties waarin het kind in zijn ontwikkeling bedreigt wordt en niet de ‘good enough’ opvoeding krijgt die het verdient (Hermanns, Öry & Schrijvers, 2005). Risicovolle opvoedingssituaties en kindermishandeling zijn nagenoeg hetzelfde. Alle uitingsvormen van risicovolle en zorgwekkende opvoedingssituaties zijn binnen de definitie en criteria van kindermishandeling te plaatsen. Een risicovolle opvoedingssituaties ontstaat niet zomaar. Het is een lange weg van risicofactoren naar probleem, ook wel het risicoproces genoemd (Hermanns, Öry & Schrijvers, 2005). Het herkennen van een risicoproces, of anders gezegd, het herkennen van het ontstaan van een probleem, is waar het op de eerste plaats naar mijn mening om draait. Het vroegtijdig signaleren van kindermishandeling is in feite al een station te ver. Het risicoproces, dat als voedingsbodem voor de kindermishandeling diende, is te laat opgemerkt en al in een vergevorderd stadium.

Alvorens het daadwerkelijk tot kindermishandeling komt, heeft het gezin vaak al een lange levensweg van problemen en tegenslagen te verduren gehad. Financiële problemen, relatieproblemen, verslavingsproblematiek, psychische problemen, ouders die zelf nooit een ‘good enough’ opvoeding gehad hebben en daardoor een gebrek aan pedagogisch besef hebben, et cetera. Door een opeenstapeling van stressvolle omstandigheden zijn de draagkracht en draaglast niet meer in balans. De opvoeding valt sommige ouders zwaar. Te zwaar. Ze kunnen het niet meer aan, vinden niet de noodzakelijke steun in hun sociale omgeving en vinden niet de weg naar de beschikbare opvoedingsondersteuning om het tij te doen keren. Het resultaat zijn opvoedingsproblemen die kunnen uitmonden in kindermishandeling. ‘Onmacht’, ‘onkunde’ en ‘onwetendheid’ liggen hieraan vaak ten grondslag.

Voor de module “verwaarlozing, mishandeling en misbruik” heb ik ook een aantal televisie-uitzendingen uit 2004, uitgezonden in het kader van de themaweek ‘Geheim Geweld’, gedownload en bekeken. In één van die uitzendingen, in ‘Andere Tijden’, maakte de presentator naar mijn mening een terechte opmerking over de jeugdbescherming. Het kwam erop neer dat jeugdbescherming in veel gevallen een bescherming ten behoeve van de maatschappij is, tegen de nadelige gevolgen van kindermishandeling op de lange termijn. Niet de jeugd, maar de maatschappij moet beschermd worden tegen het, door kindermishandeling, ongunstig ontwikkelde kind. Het kind dat niet de ‘good enough’ opvoeding genoten heeft, niet de juiste waarden en normen geleerd heeft gekregen, et cetera. Het kind dat vast en zeker op zal groeien tot een onaangepast, sociaal incompetent, antisociaal, crimineel persoon. Of iets vergelijkbaars waar de maatschappij niet bij gebaat is. Ik geloof dat hier wel een kern van waarheid in zit. De jeugdbescherming slaagt er vaak niet in om de jeugd te beschermen tégen kindermishandeling. In de meest ideale situatie slaagt het erin verdere mishandeling te voorkomen en schade te beperken. Het kwaad is echter al geschied en kan niet meer ongedaan gemaakt worden.

Laten we nu eens echt beginnen met de jeugd te beschermen, naast het verder verbeteren van signalering, gerichte interventie en samenwerking. Onder andere door veel meer pro-actief te werk te gaan, zodat kindermishandeling voorkomen wordt. Waarom niet een (verplichte) oudercursus zoals in Zweden het geval is (RAAK, 2006)? Het “gewone” moet van het opvoeden af; niet iedereen kan het zomaar, alleen en zonder begeleiding! Wolzak (2001) schrijft in zijn boek dat menig aanstaande ouder zich verkijkt op de zwaarte van het opvoeden van een kind. Waarom laten we dan iedereen, zonder enige beoordeling, advies of verplichte ondersteuning, zomaar kinderen krijgen (terwijl er bijvoorbeeld al vier rondlopen en twee al een OTS hebben)? Waarom gaan leerkrachten in het onderwijs op sommige plaatsen niet meer op huisbezoek (Kleijwegt, 2005)? Waarom worden kinderen, die niet door consultatiebureau, crèche of school gezien worden, niet gesignaleerd, geregistreerd en preventief en structureel in thuissituaties bezocht (AD, 2007)? Bijvoorbeeld door een soort van zorg- en leerplichtbeambte met opsporingsbevoegdheid. Waarom mogen gezinsvoogden zich alleen maar met het betreffende OTS-kind bemoeien? Het zijn toch gezinsvoogden?! (Braaksma, 2005). Wat is er mis met outreachend hulpverlenen en een beetje bemoeizorg? Ouders zijn dan weliswaar eindverantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen; als maatschappij hebben we ook een plicht om voor onze kinderen te zorgen. Daar zijn we conform het IVRK toe verplicht.

Gelukkig zijn er in sommige regio’s, onder begeleiding van de Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling (RAAK), al enkele goede initiatieven genomen, zoals huiskamerbijeenkomsten om te praten over opvoedingsproblemen, extra huisbezoeken aan risicogezinnen en videohometraining bij signalen van dreigende problemen. Het is alleen nog de vraag of dergelijke initiatieven kunnen blijven bestaan, aangezien de structurele financiering hiervoor ontbreekt (Keesom, 2006).

werkveld onderwijs

Voor het werkveld onderwijs hebben we een tweetal opdrachten uitgevoerd. Ten eerste een presentatie over een vorm van vernieuwingsonderwijs in groepsverband en ten tweede een individueel onderzoek naar een onderwijsgerelateerd probleem.Als onderwerp voor onze presentatie hebben wij Iederwijs gekozen. De presentatie bestond onder andere uit een vergelijking van de diversen vormen van vernieuwingsonderwijs. Geprobeerd is de verschillende vormen van onderwijs te positioneren op drie afzonderlijke schalen, te weten controle (van leerkracht, onderwijsmateriaal, et cetera), sociale invloed (vergeleken worden, samenwerken, rekening houden met anderen) en keuzemogelijkheden (vrijheid). Voor iedereen die interesse heeft, het document is hieronder te downloaden.

  1. Vergelijking onderwijsvormen

Voor het individuele onderzoek heb ik als onderwerp het “vroegsignaleren van risicovolle opvoedingssituaties” gekozen. Waar ik mij in dit onderzoek op gericht heb is het vroegsignaleren van de zwakke schakel in de opvoedingsketen en dan in het bijzonder op het vroegsignaleren van een zwakke schakel buiten school, op school, door leerkrachten en ander onderwijsondersteunend personeel. In het kader van dit onderzoek heb ik ook geprobeerd een Klavertje Vier te bedenken, die als signaleringsinstrument in de klas gebruikt zou kunnen worden. Het onderzoeksrapport en het Klavertje Vier zijn hieronder te downloaden. Het onderzoeksrapport mag uiteraard niet (geheel of gedeeltelijk) als opdracht ingeleverd worden. Dat zou immers plagiaat zijn en daar doen we niet aan. Citeren met bronvermelding mag natuurlijk wel!

  1. Onderzoeksrapport
  2. Klavertje Vier

Het spreekt voor zich dat ik deze documenten “met de grootste zorg geschreven heb, maar dat ik de juistheid van de informatie in deze documenten niet kan garanderen”. Kortom, gebruik op eigen risico! :)

Oudere Berichten »